Compressie Nervus Ulnaris

Het nervus ulnaris syndroom wordt veroorzaakt door beknelling van één van de drie grote armzenuwen, namelijk de nervus ulnaris. Als deze zenuw geïrriteerd raakt, is dat meestal ter hoogte van de elleboog. De zenuw loopt aan de achterzijde van de elleboog dicht aan de oppervlakte onder het benig uitsteeksel (bekend als het ’telefoonbotje’). De nervus ulnaris loopt daar door een gootje van bot dat is afgedekt door een pezige band aan de binnenzijde van de elleboog. De zenuw is op deze plaats kwetsbaar voor beschadiging.

Klachten
De klachten bestaan uit een tintelend, prikkelend gevoel in het gebied waar de zenuw naartoe loopt, namelijk de pink en een deel van de ringvinger. Iedereen kent dit gevoel bij het ongelukkig stoten van de elleboog waarbij de zenuw geraakt wordt. Ook kan gevoelsvermindering in pink en ringvinger optreden en er kan krachtvermindering van de hand ontstaan. De hand kan daarbij ook dunner worden. Misleidend daarbij is dat de tintelingen dan vaak afnemen. In het ergste geval verandert de stand van de vingers door krachtverlies van de kleine spieren in de hand, waardoor een ‘klauwhand’ ontstaat. Soms zijn de tintelingen dan al verdwenen. De klachten van tintelingen treden voortdurend op en kunnen verergeren door bewegen van de elleboog of door druk op de elleboog. De tintelingen zijn hinderlijk, maar als er sprake is van blijvende gevoelsstoornissen en krachtverlies, is het verstandig een arts te raadplegen. Soms komen deze klachten aan beide armen voor.

Oorzaak
De klachten worden veroorzaakt door beknelling of voortdurende irritatie van de zenuw. Meestal is er geen duidelijke verklaring voor het ontstaan van de irritatie van de zenuw. Soms wordt irritatie van de zenuw veroorzaakt door uitwendig letsel, zoals bij vaak leunen of steunen op de elleboog of door een vroeger doorgemaakte botbreuk of ongeval. Bij sommige patiënten is de zenuw te beweeglijk en glijdt deze bij buigen van de elleboog telkens over het botuitsteeksel.

Onderzoek en het vaststellen van de diagnose
Bij lichamelijk onderzoek kunnen gevoelsstoornissen in de pink en de aangrenzende helft van de ringvinger worden gevonden. Soms is er ook krachtvermindering van de kleine handspieren zodat het sluiten en spreiden van de vingers niet goed meer mogelijk is. De handspieren kunnen dunner worden (atrofie) zodat de hand knokkelig wordt. Vaak is de zenuw bij de elleboog gevoelig voor druk, en ontstaan pijnlijke tintelingen bij kloppen op de zenuw. Om de diagnose te bevestigen wordt een zenuwonderzoek aangevraagd, het zogenaamde EMG (electromyografie). Hiermee is te zien of de zenuw elektrische impulsen goed geleidt langs de elleboog. Ook kan een eventuele beknelling van de ulnaris zenuw op een andere plaats worden uitgesloten. Wanneer een botafwijking wordt vermoed, kan een röntgenfoto van de elleboog worden gemaakt.

Behandeling
De diagnose wordt in eerste instantie gesteld door de neuroloog; vaak is er geen speciale behandeling nodig. Door vermijden van druk op de elleboog door leunen of steunen, en door vermijden van intensieve armbewegingen, kunnen de klachten verdwijnen. Bij ernstige blijvende klachten of als er een toenemende uitval is, wordt u verwezen naar de neurochirurg. Deze bespreekt de behandelingsmogelijkheden met u. Bij blijvende hinderlijke tintelingen in pink en ringvinger kan een operatie zinvol zijn.

Operatie
In eerste instantie wordt de zenuw onder plaatselijke verdoving vrij gelegd. Dit gebeurt door de pezige band die het dak van de goot vormt waardoor de zenuw loopt, door te nemen, zodat er meer ruimte voor de zenuw komt. Deze operatie vindt poliklinisch plaats onder lokale verdoving en duurt ongeveer 45 minuten. De tintelingen in de vingers nemen bij ongeveer twee-derde van de patiënten geleidelijk af na het vrijleggen van de zenuw. Als na het vrijleggen van de zenuw toch tintelingen aanwezig blijven, kan een andere operatie plaatsvinden, namelijk het omleggen van de zenuw vanuit de goot naar de voorzijde van de elleboog. Deze ingreep vindt meestal plaats onder algehele narcose, en hiervoor is een dagopname noodzakelijk. Bij een kleine groep patiënten nemen de klachten ook na deze operatie niet af.